Als onze ziél niet zong,
En vreugdedansen sprong,
Zouden dan wel de vógels zingen,
De bronnen uit de rotsen springen,
En had de storm een tong?
Als onze hoop heur schat
Niet rustloos zocht, en bad,
Zou dan de boom zijn bloei en twijgen
Zóo innig hemelwaarts doen stijgen,
Dat hij het blauw omvat?
Neen, als de ziel zeer diep
In duister lag en sliep,
Terwijl geen prins, getooid met bloemen,
Een wekker, dien wij engel noemen,
De schoone slaapster riep,
Dan zou het ritslend bruin,
De bron, verstikt in puin,
Verdord en snikkend nederzijgen,
Dan zou de wind, de vogel, zwijgen
In dien verdoemden tuin.