Zielloos staat gij, levenloos,
Zonder klem of zwier,
Zangen, uit mijn hart geweld!
Op het koud papier.
Neen, van 't uitgestroomd gevoel
Vonkt in u geen sprank:
Zielloos zijt gij, levenloos,
Noten zonder klank!
'k Heb de borst met u geroerd
En het hart gekneed,
Maar mijn adem was de ziel,
Die u leven deed.
'k Schiep met klem en kracht van toon
Al uw kracht en klem;
'k Blies u geest en leven in
Met mijn eigen stem!
o, Wie op mijn doode kunst
Nog in deernis ziet,
Geev' hij 't leven nogmaals weer
Aan mijn zielloos lied.
Of wat is 't gevoel en 't vuur,
Dat mijn zang bezit?
Of wat is zijn verw en zwier?
Treurig zwart op wit.
'k Vraag terug, van elk terug,
Wat mijn kunst ontviel:
't Is de nadruk van den toon -
De afdruk van de ziel.
Wie te traag, te loom van bloed,
Adem heeft noch stem,
Roer' mijn koude zangen niet:
Zij zijn dood voor hem.