Het zuidewindje suist door zwarte twijgen,
En kust het slapend dons der zangers teeder, -
De zilvren boomen wiegen heen en weder,
En doen hun schaduw met hen mede nijgen, -
XVIII. Scheiding
De voerman zwaait de zweep, ik hoor ze knallen;
De wagen ratelt langs de helling heen;
De rem knarst tegen 't wiel, de schellen schallen;
De hut, die haar bevat, rijst en wordt kleen:
XXII. Gescheiden
De kluis, getuige van ons noode scheiden,
Leeft in mijn peinzende herinnering,
Zij werd mij paradijs, omdat ze ons beiden
In de' eersten stond van liefde, 't laatst, omving.
XXXV. De roos
Een zaadje - een loovertwijg - gij zijt verrezen,
O, volle, reine roze, op slanken stengel, -
En 'k heb u lief, en bij uw zoet gebengel
Op de' uchtendwind, tril ik van huivrend vreezen:
LXX. Aan Mathilde
Aanbidt de mensch een afgod hem gelijk?
'k Aanbad. Gij hebt mij tot u opgeheven,
En 't arme hart werd duizend levens rijk:
Want, waar ik leven zag, schonk ik mijn leven;
Iris
Ik ben geboren uit zonnegloren
En een zucht van de ziedende zee,
Die omhoog is gestegen, op wieken van regen,
Gezwollen van wanhoop en wee:
I Aan de sonnetten
Klinkt helder op, gebeeldhouwde sonnetten,
Gij, kindren van de rustige gedachte!
De ware vrijheid luistert naar de wetten:
Hij stelt de wet, die úwe wetten achtte:
II Sanctissima Virgo
't Was bladstil en een lauwe loomheid lag
En woog op beemd en dorre wei, die dorstten;
Zwaar zeeg, en zonder licht, een vale dag
Uit wolken, die gezwollen onweer torsten.
III Aan Mathilde
Wanneer de moeder van het licht weêr licht,
En voor heur goud den zwarten mist doet wijken,
Dan laat ze 'er stralen langs de bloemen strijken,
En dankbaar doet elk bloemeke zijn plicht.
IV Erato
De purpren avond was in 't west verdwenen
En glanzend zilver droomde op donkere aarde, -
Toen is de blonde Muze mij verschenen....
Mijn ziel werd vuur, toen haar mijn oog ontwaarde. -
V Eerste Aanblik
En, peinzend, zie 'k uw zee-blauwe oogen pralen,
Waarin de deernis kwijnt, de liefde droomt, -
En weet niet, wat mij door mijn adren stroomt:
Ik zie naar u, en kan niet ademhalen:
VI Gebenedijde stonde
O, lieflijkste van alle lieve vrouwen!
Gij, hoog-begaafd met schoon en kunstvermogen!
'k Zie, jonge bloem, de blaadjes u ontvouwen,
Nog onlangs tot een slanken knop gebogen!
VII Liefde
Het vurig hart des jonglings, haast nog kind,
Gevoelt een rijke en ongekende weelde,
Wanneer hij zachtheid, liefde, schoonheid vindt,
Zooals die nooit het jong gemoed nog streelde.
IX Besluit
En honderdmaal verklaarde ik mij, doch neen,
Zij hoorde 't honderd malen niet, want oogen
Verstaan de taal, die zwijgend spreekt, alleen...
En ach! haar oogenlach bekroont mijn pogen!
X Bekentenis
De bron van warmte en licht was zacht gezonken
Op 't ver gebergte, en tintte d'avondstond,
In iedre vezel waarde weelde rond,
Die met den koelen dauw werd ingedronken;
XI Smeekbede
Zooals de zon den dauwdrup, als de roze
De bij, en 't wijde wak der zee de beken
Duldt aan het warme hart, het bodemlooze,
Waarin zij, wat hen lijden deed, ontweken;