Omdat gij andre talen spreekt
En muren om uw staten bouwt
En op uw sterk geweld betrouwt,
Waan daarom niet
Dat ge mijn orde breekt:
Want de aarde is mijne en tot het verst verschiet
Draag ik mijn woorden
Van Zuid naar Noorden,
Van Oost naar Westen
Vrij als de wind:
Talen noch vesten
Kunnen mij tarten
Die alle harten
Doordring en bind.
Ik woonde aan de akkerlanden
Tussen de bloemenvelden
Op duin aan zee.
Ik zag hoe treinen snelden
Waar avondsteden brandden —
Ik zocht ze en reisde mee.
En toen zich grenzen sloten
Zond ik tot mijn genoten,
Toen en voortaan,
Enkel de modulatie
Van 't lied dat iedre natie
Lokt tot verstaan.
*
Zoals ethergolven mensen-adem
Door de ruimte dragen,
Zodat zelfs een fluistring de aarde omvadem,
Zo de melodie die eenmaal aangeslagen
Zonder stilstand en alleen door haar behagen
Harten raakt en monden
Die haar verkonden.
*
Ik op mijn dorp, ik op dit grensdomein
Van 't vasteland, erken geen lijn
Die de aarde in stukken deelt.
Er is geen staatsgod en geen volksprofeet
Die mij een slip van 't nadeloze kleed
Van de aarde ontsteelt.
*
En zoals de aarde is, zo de tijden.
Eeuw aan eeuw
Kwamen ze met de drift van hun belijden,
Hun juichtoon en hun noodgeschreeuw.
Elk van hen bracht zang en bouw,
Elk zijn onafwendbre ellende:
Ik die allen overschouw
En me aan hun gewoonten wende
Zwoer hun allen trouw,
Heb hun hulde toegebracht
Als tezaam mijn voorgeslacht.
*
Grieken en Joden
Hadden elk hun eigen rijk.
D'enen de scheppers van schone goden
Mensgelijk.
D'andren d'aanbidders van d'ene God
God van gebod
En hulp in 't strijden.
Tussen die beiden
Lag ons lot.
Uit Griekenland gewerden ons de gunsten
Van wetenschap en kunsten
En de vrije staat.
Israël stijfde ons vermeten
't Verkoren volk te heten
Wiens god zijn vijand haat.
Vrij-zijn en uitverkoren
Was tegen Alva's vanen
De ene ongescheiden leus.
Ook Milton's Cromwellianen
Kenden bij 't voorwaarts sporen
Tussen die twee geen keus.
Thans raakten ze uit elkander :
Na Goethe's griekse stander
't Verkoren volk van 't nieuwe rijk;
Maar toch nog dicht genoeg tezamen
Dat we als voorvaderlijke namen
Javèh niet enkel maar ook Zeus
Snijden onder 't Christen-kruis
In iedre Teutoburger eik.
*
Rassen! ach knapen,
Wat doet ge u vergapen
Aan 't ledig woord.
Al te vermetel
Zoekt ge in de ketel
Waar 't mengsel in brouwde
De rasheld die u bekoort.
Stel gerust iedre behuizing
Onder 't teken van de kruising,
Her- en derzijds vastgehaakt.
Want wanneer ge 't goed beschouwde
Is juist daardoor uw geslacht
Telkens weer tot kracht geraakt,
Tot nieuwe kracht gebracht.
*
Open uw grenzen.
Doe al uw dwaasheid weg.
Voeg u als bescheiden mensen
In het gemeenzaam overleg.
Wij zullen de aarde bouwen
Met u, met allen.
Laat dan uw bijlen in de stammen houwen
Van haat en bijgeloof, zodat zij vallen.