'k Zat bij Sint Markus in 't café en schreef.
Toen kwam een vrouw en bood me een anjelier.
Ik schudde 't hoofd en wenkte: neen, niet hier.
Woorden zijn bloemen, dacht ik, en te geef.
Maar zij schudde ook het hoofd en lachte en bleef.
Dan lei de bloem zij neven mijn papier.
En toen ik naar haar opkeek scheen 't mij schier
Of zij dezelfde was - zoo waar ik leef -
Die me in Valencia bood diezelfde bloem -
Dezelfde die bij 't gaan toen gij mij boodt.
Zij scheen me op eens een afgezant van u.
Zoo ga 'k van dag tot dag en vraag mij nu
Of een gezant van u mij steeds weer noodt, -
Elk ding vrouw met een bloem waarbij 'k u noem.