Als de regen komt zuigen de bomen zich vol
uit de buik van de aarde, maar dit is een mens.
Zij loopt onder zeildoek en heeft iets te dragen
waarvan zij de naam niet eens kent.
Het weegt op haar als een bijl in een schedel,
het brandt in de maag, in de longen, de hand
die als naar een woord grijpt tussen haar benen,
waar het bloedt. Dit is Kivu, een schitterend land,
in zijn dronkenschap van zingende regens,
van lachende legers op zoek naar geweld.
Op het zeildoek is zij als bezocht en bezeten,
een schitterend kind. Gekneed tot een mens.