Voort vliegt de sneltrein, vlakke velden door.
Op stijgt de stoompluim, grauw in 't grauw der lucht,
Zweeft nêer en blijft een lange pooze, laag,
In vlokken hangen, - zilvrig duivendons.
Vier uur!
Reeds werpt de zon haar goudgloor dwars door 't loover
Der linden, bloeiend op het breede schoolplein.
Nu trilt de lucht van schelle kinderkreten
En vroolijk stormt de bende boerenknapen,
Soldaatjespelen
De knapen spelen, op de breede plaats,
Met houten sabel en geweer gewapend,
En krijgsmuziek van trommel en trompet.
Roodwangig zusje, een degen in de vuist,
Winternacht
De volle maan beschijnt de donzen daken
En schittert schel op mijn bevrozen ruiten.
Ik hoor den wind door poort en schoorsteen fluiten,
De honden huilen en de meubels kraken.
I. Dageraad.
Snel glijdt mijn voet op mos en geurig kruid,
waar morgendamp de sluimerende lanen
in blanke mantelplooien hult. Reeds luid
klinkt, op de hoeven, 't schor gekraai der hanen.
II. Lentekus.
Zijn niet de rozen rood van liefdelust?
En trillen niet, gebaad in maneglansen,
de hooge popels, die het meer omkransen,
wanneer de wind hun smachtend loover kust?
III. Een kinderhand.
En door een handje, mollig als fluweel,
liet ik mij leiden langs de kronkelpaden.
Bestrooid met ritslend najaarsloover, geel
en purper, was de weg die wij betraden.
IV. Daisy.
In 't groen priëel, waar roze- en wingerdtak mij
verkoelend welkom wuifden, zaten beiden,
het Grootje en 't kleinkind. - ‘Zie mijn engel! sprak zij,
'k Wil nog niet sterven, 'k wil van haar niet scheiden.
V. Lentemorgen.
Een morgenstraal verguldt mijn vensterruit,
omlijst door geiteblad en rozeranken.
De acacia, wiens geurge trossen blanken,
strekt bloeiende armen naar den hemel uit.
VI. De weg in 't woud.
Indien gij weet wat leven is en lijden,
en welk een zee van weedom in een traan ligt,
laat mij dien hollen weg in 't woud vermijden,
verg niet, dat ik mijn schreden naar die laan richt!
VII. Geloof.
U heb ik lief, mysterievolle wouden,
veelstemmig koor van vogelen en winden!
'k Herinner mij, hoe, bij 't geruisch der linden,
in vrome aanbidding, zich mijn handen vouwden.
VIII. Zomeravond.
De kleine villa's met haar bloemenhoven
zijn voor mijn oog, dat voorwaarts blikt, verdwenen.
Hier blauwt een wijde vijver, waar omhenen
de boomen, vol verlangen, nader schoven.
IX. April.
Lichtblauwe lucht, waar leeuwerikken zingen!
Herboren woud, waar nieuwe sappen wellen
in de oude stammen, bladerknoppen zwellen
en donzen blaadjes, blij, in 't zonlicht springen!
X. Naar 't woud!
Ik wil in 't woud den zomerdag verdroomen.
Den landweg langs, waar vogels vreugde melden,
waar lichtgroen lommer neerzijgt van de boomen,
en blauwe vlinders vaak mijn stap verzelden.