En door een handje, mollig als fluweel,
liet ik mij leiden langs de kronkelpaden.
Bestrooid met ritslend najaarsloover, geel
en purper, was de weg die wij betraden.
Stil was de lucht, waar fijne blanke draden
in 't ijle zweefden. Trillend, als een vêel
of als een dichterziel, met rouw beladen,
zong droef de wind in popel en struweel.
Maar, vroolijk snappend, liep naast mij de kleine,
en vestte op mij den blik, de hemelsch reine,
en trok mij voort langs dreve en akkerland.
Mijn hart schoot vol bij 't wonderlied der boomen;
ik sprak geen woord. - Nog voel ik, in mijn droomen,
de lieve warmte van die kinderhand.