Een bloemlezing van gedichten uit de wereld

VII. Geloof.

V

U heb ik lief, mysterievolle wouden,
veelstemmig koor van vogelen en winden!
'k Herinner mij, hoe, bij 't geruisch der linden,
in vrome aanbidding, zich mijn handen vouwden.

Een heilge vrees beving mijn hart, als zouden
in 't wieglend loof mijn blikken geesten vinden.
'k Begroette in elken zonnestraal een gouden
gezant, die aarde en hemel kwam verbinden.

O zaalge huivring! zoet geloof! Mijn oog las
een letter van Gods naam in elke sterre,
die, zilverrein, mij tegenblonk, van verre.

'k Had gansch de wereld lief. De blauwe boog was
mijn doel en, als de leeuwrik hooger strevend,
zong blij mijn ziel, in licht en wolken levend.