Reeds werpt de zon haar goudgloor dwars door 't loover
Der linden, bloeiend op het breede schoolplein.
Nu trilt de lucht van schelle kinderkreten
En vroolijk stormt de bende boerenknapen,
Van dwang bevrijd, niet lei en boek, de deur uit.
Hier rolt een hoepel, ginder zwenkt een priktol.
Een blonde guit haalt knikkers uit zijn broekzak
En graaft een putje in de geblakerde aard, waar
De grijze grond van droogte is doorgespleten.
Bij 't ijvrig bukken dekt een vlassen voorlok
Zijn helder oog. Het spel vangt aan en 't zonlicht
Beglanst de glazen bontgekleurde knikkers.
De jonge meester draalt nog op den drempel
En stopt zijn pijp en luistert, in gepeinzen,
Naar stemgejoel en kletterende klompen.
Vier uur!
V