Snel glijdt mijn voet op mos en geurig kruid,
waar morgendamp de sluimerende lanen
in blanke mantelplooien hult. Reeds luid
klinkt, op de hoeven, 't schor gekraai der hanen.
Stil! hoor hoe tusschen witte wolken, zwanen
op 't blauwe luchtmeer, schel de leeuwrik fluit!
Zie! de aarde weent van zaalge ontroering; tranen
besproeien 't loover, trillend als een bruid.
Omkransd van rozeneevlen stijgt de zonne
ter kimme, liefdeblozend. Heide en woud
begroet zij met haar kus van vuur en goud.
En dorstig wend ik naar de stralenbronne
mijn aanschijn, dat naar licht en leven smacht.
- Nog is het donker in mijn ziele.... Ik wacht!