Heer, tusschen ons in leefden vele zonen
van 't Oude Volk, zij zongen onvermoeid
hun levenslied ons voor vol warme tonen,
zij waren allengs met ons saamgegroeid
tot één gemeenschap... Zij worden geschonden,
de naakte levensgrond wordt hun ontroofd,
men vangt ze, bindt ze; zij worden gezonden
daarheen, waar snel de levensvlam uitdooft
of met geweld de toorts wordt stukgeslagen
tegen de rots... Bloed stijgt ons naar de wangen
van schaamte, dat we dit siddrend verdragen,
dat w' ons niet kunnen, ons niet durven wage' om
hen los te rukken uit die scherpe tangen
en enkel staan, meewarig en verslagen.