Een bloemlezing van gedichten uit de wereld

De sneeuw

D

't Grimmig Noorden sloeg door 't loover
Als een snijdend zwaard;
Al 't geboomte stond ontblaârd;
d'Akker schoot geen oogst meer over
En geen bloem den gaard.
Eens zoo schoon van tooi en verwen,
Eens zoo rijk, natuur!
't Moet wel hard zijn, dan te derven,
Dag aan dag allengs te sterven,
Armer uur aan uur!

't Oost ging even luid aan 't huilen
Als het Noorden deed:
Ieder dook in 't winterkleed;
Wie een dak had, ging er schuilen,
't Zij in huis of keet.
Krakend vroor het gansche dagen,
Nachten lang aaneen;
't Scheen een bajert, waar we zagen:
't Water was met erts beslagen
En de grond werd steen.

Keek men 's avonds nog eens buiten
Naar den wind en 't weer,
Korter keek men ieder keer:
't Bar Noord-Oosten bleef aan 't fluiten;
't Luik ging spoedig neer.
Telkens - reeds den slaap in de oogen -
Door 't geloei ontwaakt,
Dachten we, om haar lot bewogen,
Zou natuur dat harden mogen,
Arm en moedernaakt?

Maar verbaasd was, die 't aanschouwde,
Toen weer de ochtend scheen!
Koestrend hing van top tot teen
Haar een dekpels voor de koude
Om de leden heen.
Schittrend in de morgenstralen,
Kracht- en luistervol,
Stond ze op heuvlen en langs dalen
In een spierwit kleed te pralen,
Louter dons en wol.

Geen fluweel, zoo fijn geweven,
Zonder kreuk of smet,
Ligt er op des konings bed;
Geen tapijt, als nu de dreven,
Heeft zijn fraaist salet.
Wat borduursels en sieraden
Tooijen eik en esch!
Kanten, zoo gelijk van draden,
Als er wappren langs de paden,
Draagt geen rijksprinses.

En denk niet uit misvertrouwen,
Dat ge alleen misschien
In de verte 't moogt bezien:
't Wordt door naderbij beschouwen,
Schooner bovendien.
Wilt ge meer en meer verbazen,
Wapen u 't gezigt:
Volg die steken, tel die mazen;
't Is een rag, om weg te blazen,
En toch vol en digt.

En wat wondre teekeningen
Heeft die kostbre kant!
Hier geribd en daar getand,
Nu in ruiten, dan in ringen,
Vlos of glad van rand.
Pluimen zien we, takken, blaren,
Bloemen in een perk;
Halmen met een kroon van airen...
Komt het afzien, kunstenaren!
Dat is godlijk werk!

Waar ook 't oog zij heengeslagen,
Geen verdorde tronk
Bleef verstoken van dien pronk:
't Weefsel dekt de rozenhagen
En den distelstronk.
Waar er naakte spitsen staken
Of een hut verscheen,
Warmend viel het zilverlaken
Over hof- en tempeldaken
En de schaapskooi heen.

Milde moeder, rijk aan zegen,
En zoo schoon als goed!
Wat al weldaân, die gij doet!
Wat al wondren allerwegen
En wat overvloed!
't Zij ge bloemen geeft te lezen,
't Zij ge vlokken strooit,
Wees geprezen, nooitvolprezen'!
Of ge in 't groen gekleed moogt wezen,
Of in 't wit getooid.