O dit ontroeren om een klein gezicht,
Vredig en goed, onder donkre haren,
Bruin met goudglans, die de zware
Streeling der handen doet trillen in 't licht.
O dit ontroeren
O
O dit ontroeren om een klein gezicht,
Vredig en goed, onder donkre haren,
Bruin met goudglans, die de zware
Streeling der handen doet trillen in 't licht.
Zij zat voor 't hooge venster naast haar gade.
Hun pages speelden op 't beschaduwd plein
En schoten door de stralen der fontein
En in de boomen rond de esplanade.
Meen niet, dat hij te schreien stond,
Toen hem het giftige antwoord stak.
Hij voelde, dat iets in hem brak,
Maar hield de glimlach om zijn mond.
Hij zag mijn stijgende bewondring wel
Toen, wiegelende, hij naar ’t water schreed,
En blank en onverhoeds daarin vergleed:
Wolkonderschept verblindend zonnespel.
Dood! dacht ik, maar Gij zeidet: ,,Leven!”
Och, waarom moet ik leven, Heer!
„Wijl Ik uw laten bloei begeer,
Rozen, die op Mijn adem beven.