‘Elkaar weervinden is droever dan scheiden
wanneer daar tusschen-in liggen de jaren
dat twee ziele', elk voor zich, hebben bevaren
de groote wateren van eenzaam lijden.
Zij voele' over elkaars gezichten glijden
de schaduwen van de dingen die waren
vóór 't vaarwel, maar kunnen hun harte-snaren
niet stemme' op den toon van voorbije tijden.
Dan zien zij elkanderen aan verstolen;
maar ach, hun schuw-geworden oogen zwijgen,
hun stem heeft den warmenden klank verleerd; -
zij gaan voorbij, bang voor elkanders holen,
en waren toch zoo vol van teeder neigen
en zoo graag tot elkander ingekeerd’.