Nu in de lanen gaat de Schemer om,
stil manend, heffend cijns van alle uren
zijn heer, den Nacht. En vorstlijk is zijn dwang
en koel zijn blik. Er vlammen, rood, in 't hout
veel vreugdevuren op zijn heerschersgang.
En d'Uren komen over de aarde heen
den ganschen dag: die uit het Oosten eerst,
met parelmoer en zilvren zonnespang,
en om den hals een rood koralensnoer,
er nestlend als een kleine, roode slang.
Dan die van 't Zuiden: fijn gedreven goud
en blauw saffier en vonkeldiamant
als zinnebeelden van hun hoogen rang:
lichttrillend vat de vert' hun kleederzoom,
bij 't slepend gaan met handen teer en bang.
Die uit het Westen laatst: - een loome stoet!
In ver ziende oogen is hun blik zoo vast;
zwijgende slaven met gebronsde wang
brengen robijn; hun voet bloedt in sandalen;
de zon was brandend en de weg zoo lang.
En Schemer nam van d'Uren vóor den Nacht
blank parelmoer, tot wolken om de maan,
en voor haar horens lichte zilvren spang,
saffier tot blauwe vlammen in de zee
en daarvoor ook die kleine roode slang;
goud voor de sterren en veel diamant,
om zacht te vallen tot een vochten dauw.
En van de slaven, laatste en laagste in rang,
nam hij den dolk - rood blonken de robijnen,
bloed zag hij, en hij hoorde een zwanezang.