Stroomzwaan, hoort ge, wat de vliet
Aan zijn trouwe oevers fluistert,
Waar hij eeuwig in gekluisterd
Prevelt met het suizlend riet,
Dat aandachtig naar hem luistert:
‘Was ik niet het wiegewindsel
Van zijn jonge dartelheid,
Toen hij zachtkens werd geleid
In het gretig welig bindsel,
Dat ik hem had toebereid?
Plasten niet zijn teedre spanen
Onbeholpen in hun spoed
Naar den blinkend schoonen stoet
Van nog vele blanke zwanen,
Die zich wiegden in mijn vloed?
Was ik niet het reede bed
Van zijn vierig fieren min?
Bracht ik hem niet het gewin,
Onverdeeld en onbesmet,
Van een sneeuwen gemalin?
Ach, hoe doopt hij soms zijn slankte
Naar de bedding van mijn stroom!
Ach, hoe spiegelt hij dan loom
Weer zijn onbevlekte blankte
In een immer witten droom!’...
Stroomzwaan, die het blinkend water
Met uw sneeuwen pennen viert,
En den avond vlekloos siert,
Tot in will'ge loovers later
Gij uw blanke gondel stiert;
Stroomzwaan, die uw welbewuste
Gratie in den vloed bespiedt,
Hoort ge, wat de trage vliet,
Die uw donzen veedren kuste,
Fluistert aan het suizlend riet?