De vlokken vallen, vallen,
- hoog, schimmen in grijze lucht -
en dalen, dalen allen
en lichten in lage vlucht.
Ver achter vlokgewemel
en wolken gaat de Zon,
die in haar hoogen hemel
deez' aard vergeten kon.
Maar wie nooit zonne zagen,
geborenen in 't grauw,
de witte vlokken dragen
heur licht door nevelschaûw.
't Gloort over vlakke velden
en over golvend woud,
of witte schemer welde
uit vlakte en opgaand hout.
En 't daagt in donkere lanen,
- de vlokken vallen dicht
tot, in des hemels tranen,
heel de aarde, glanzend licht.