Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar den kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen.
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand,
Zoo trekt het dier langs 't hooge dorre land
De tweewielskar en blijft eentonig schellen.
En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang.
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt;
Staag klapt de zweep doch maakt zijn paard niet bang:
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld
En sukk'len samen voort hun leven lang.