De wind deed de golven klotsen en slaan,
zij hebben zijn wilde woorden verstaan.
Toen gaf hij het schuimende water een stem,
toen sprak het zijn woord en behoorde hem.
557 gedichten om te ontdekken. Pagina 19 van 28. Alle dichters · Uit de bloemlezingen.
III. Een kinderhand.
En door een handje, mollig als fluweel,
liet ik mij leiden langs de kronkelpaden.
Bestrooid met ritslend najaarsloover, geel
en purper, was de weg die wij betraden.
[Met blauw-papieren pijlen op mijn wangen]
Met blauw-papieren pijlen op mijn wangen
En op mijn hoofd een gele ster geplakt,
Blijf ik, terwijl een aap mijn handen pakt,
Onderste-boven aan een rekstok hangen.
[Ik droomde van een kálmen, bláuwen nacht]
Ik droomde van een kálmen, bláuwen nacht:
De matte maan lag laag in mistig glimmen -
Maar hóóg scheen van de schemerende kimmen
Der klare starren wolkenlooze wacht.
Vrouw
Lichaam, wentelend al-leven
gedrochtlijk staan wij en massaal geheven
tegen den rottend-paarsen hemel van verlangen
hijgende nacht
Laat mij nimmermeer...
Laat mij nimmermeer berusten,
God dien 'k niet met namen zeg:
Uw verlangens zeekre lusten
Neem niet van mijn lippen weg.
[Dof violet is 't west en paarsig grijs.]
Dof violet is 't west en paarsig grijs.
Nog wandel 'k door het zwaar berijpte gras,
En hoor naast me op de vaart het fijn gekras
Van schaatsen over 't hol rinkelend ijs:
[Wie weet en zal mijn liefde in u niet dalen, kind]
Wie weet en zal mijn liefde in u niet dalen, kind,
vreemd, kalm, en simpel-teêr als de' avond om de graven....
Want wie, die in gelatenheid zijn tocht begint,
wie weet de vrouw die langs de baan zijn lip zal laven
III Aan Mathilde
Wanneer de moeder van het licht weêr licht,
En voor heur goud den zwarten mist doet wijken,
Dan laat ze 'er stralen langs de bloemen strijken,
En dankbaar doet elk bloemeke zijn plicht.
Over het draagvermogen mijner ziel.
Sterkheid van handen kan geen nevel scheuren
en mijne hield ik biddend opgeheven
maar nu heb ik dat alles opgegeven
en voel mij vrij en zal geen hoop verbeuren.
Oefenplaats
Hij is alweer gegroeid, de koning,
zijn achterkant, die van zijn Paard,
willen de bleke zon onttronen,
de kellners lachen om zijn baard.
Sonnet voor Cynara III
Steden der wereld, menigten, al wat ik zag:
lentlijk Parijs, een avond langs de Seine-boorden
of het droefgeestig roepen dat ik dikwijls hoorde
langs d'Amsterdamsche grachten op een regendag -
Als November is gekomen... Rondeel.
Als November is gekomen
En de regentijd breekt aan,
Als de boomen in de laan,
- Ach, de bladerlooze boomen! -
[De Vlaamsche tale is wonder zoet]
De vlaamsche tale is wonder zoet,
voor die heur geen geweld en doet,
maar rusten laat in 't herte, alwaar,
ze onmondig leefde en sliep te gaar,
[Die nacht van zelfvernedering]
Die nacht van zelfvernedering
van deemoed aan de doodensponde
in een gestage preveling:
‘vergeef mijn zonden.’
Woorden in den Nacht
Voel je hoe ik naar je toe kom?
Je bent naakt in den nacht.
Wacht, ik doe eerst een doek om.
Nog niet, nog niet.
Immortelle IX
Op 't hoekje van de Hooigracht
En van den Nieuwen Rijn,
Daar zwoer hij dat hij zijn leven lang
Mijn boezemvriend zou zijn.
Wederzien
Nu je, onverwacht, gekomen bent,
voel ik me weer een zwak man
en hoe ik m'ook overtuigen wil dat je liegt,
ik kan
[De zon. De wereld is goud en geel]
De zon. De wereld is goud en geel
en alle zonnestralen komen heel
de stille lucht door als engelen.
Haar voetjes hangen te bengelen,
Avond-klacht
O! Wat er in den avond ligt:
Herdenken aan uw bleek gezicht
En d'oude zangen.
Dat maakt m'n lippen sprakeloos