Uit de zwarte kolen
wenkte een vlammenhand
in heur blonde haren
de vlam van diamant.
557 gedichten om te ontdekken. Pagina 18 van 28. Alle dichters · Uit de bloemlezingen.
II. Lentekus.
Zijn niet de rozen rood van liefdelust?
En trillen niet, gebaad in maneglansen,
de hooge popels, die het meer omkransen,
wanneer de wind hun smachtend loover kust?
[De keien zijn zoo puntig op de straten]
De keien zijn zoo puntig op de straten.
Blonde soldaten, doen je voeten pijn,
Smoor je verdriet met een naief refrein:
‘Marie, Marie, ik moet je gaan verlaten’.
[Zooals daar ginds, aan stille blauwe lucht]
Zooals daar ginds, aan stille blauwe lucht,
Zilveren-zacht, de half-ontloken maan
Bloeit als een vreemde bloesem zonder vrucht,
Wier bleeke bladen aan de kim vergaan,
Vlam
Schuimende morgen
en mijn vuren lach
drinkt uit ontzaggelijke schalen
van lucht en aarde
In den nacht
Voor nachts sterreheldere geboden
Buigt der dagen wil -
Zuchten zouden dringen tot de goden:
Al is stil.
['k Maak in gedachten vaak een bedevaart]
'K maak in gedachten vaak een bedevaart:
Dan sta 'k weer op de plek, die zomerdag,
Waar ik door de eikenlaan je komen zag;
Als reliquie heb ik dat beeld bewaard:
['k Ben eenzaam-droef, in 't geel-teêr avond-dalen]
'k Ben eenzaam-droef, in 't geel-teêr avond-dalen....
Door 't open venster hoor 'k den donzen val
van klamme bloemen in krystallen schale....
- En 'k weet niet of ik haar beminnen zal,
II Sanctissima Virgo
't Was bladstil en een lauwe loomheid lag
En woog op beemd en dorre wei, die dorstten;
Zwaar zeeg, en zonder licht, een vale dag
Uit wolken, die gezwollen onweer torsten.
Over de grenzen van mijn wezen.
Niet mijn de makkelijke en onbenepen
wellende sprakingen, niet de ongestoorde
gebaren die glijen gelinde door de
ruime atmosfeer: lustig zeilende schepen.
De paladijnen
Wij hebben de ganse dag stof geslikt
en zijn met hoofdpijn naar bed gegaan.
Wij hebben cichorei gedronken
met beurtelings muscus en jodoform,
Sonnet voor Cynara II
Gekomen en gegaan en als de liefste keeren,
wie haar ontloopen wil doet zulks tot eigen schâ
en jaar en dag ontliep ik haar uit en ter na;
God weet waarom ik haar en mij zoo moest bezeeren.
Maart.
't Is pas Maart, de winterweiden
Dragen nog een waasje wit
En de zwarte akkers beiden
't Zaad nog naakt en omgespit.
Tot de zonne
Zonne, als 'k in mijn groene blaren
en vol waterpeerlen sta
en dat gij komt uitgevaren,
schouwt mijn bloeiend herte u na.
[‘O, als ik dood zal, dood zal zijn]
‘O, als ik dood zal, dood zal zijn
kom dan en fluister, fluister iets liefs,
mijn bleeke oogen zal ik opslaan
en ik zal niet verwonderd zijn.
Bezinning
Na de schrik en
Begenadiging,
Onder 't snikken
Van verzadiging,
Immortelle III
Waarom ik de loome nachten
Met wrange tranen bedauw? -
Ik weet niet wat ik liever deed,
Dan dat ik het zeggen zou.
Ik sta nu eenmaal voorbij de grens
Ik sta nu eenmaal voorbij de grens
aan dewelke ieder normaal mens
moet stilstand houden.
Een vriend heeft me onlangs verweten,
[Wij zilvren wezens, nevellichten, gewassen]
Wij zilvren wezens, nevellichten, gewassen
neven elkaar, onzeker, wilden het licht:
In misten van donker, onze groote vragen
vreemdelinge in scheemre mist om licht -
Geloof
Daar droomt iets in uw oogen,
Wen gij ten hemel ziet;
Daar zingt iets in uw zuchten,
Héél verre, van verdriet...