Nu in de lanen gaat de Schemer om,
stil manend, heffend cijns van alle uren
zijn heer, den Nacht. En vorstlijk is zijn dwang
en koel zijn blik. Er vlammen, rood, in 't hout
557 gedichten om te ontdekken. Pagina 17 van 28. Alle dichters · Uit de bloemlezingen.
I. Dageraad.
Snel glijdt mijn voet op mos en geurig kruid,
waar morgendamp de sluimerende lanen
in blanke mantelplooien hult. Reeds luid
klinkt, op de hoeven, 't schor gekraai der hanen.
[Een groot verdriet in 't ernstige profiel]
Een groot verdriet in 't ernstige profiel
Dat neerwaarts kijkt, en machtelooze handen.
Maar als hij riep, dan daverden de landen
En was 't alsof een vuist op aarde viel.
[Ik denk altoos aan u, als aan die droomen]
Ik denk altoos aan u, als aan die droomen,
Waarin, een ganschen, langen zaalgen nacht,
Een nooit gezien gelaat ons tegenlacht,
Zóó onuitspreek'lijk lief, dat bij het doomen
Verhevene
Eeuwen wentelden hun volheid samen:
zijn fundament;
nauw kon hun denkgedrocht omvamen
zijn schedeltent.
Het geredde kind
‘Gij kunt niet raden met wat liefde wonderbaar
De groote diepe zee ik minnen moet,
Sinds, vader, gij met eigen lijfsgevaar
Mij opbracht uit haar vloed.
[Door kelken van onwezenlijk kristal]
Door kelken van onwezenlijk kristal
Schijnt de ondergrond van tragisch-paars fluweel.
Onzichtbaar is de lamp; langs ied're steel
Hangt, smal en stil, een zonn'ge waterval.
[o Gij, die kommrend sterven moest, en Váder waart]
o Gij, die kommrend sterven moest, en Váder waart,
en míj liet leven, en me teeder léerde leven
met uw zacht spreken, en uw streelend hande-beven,
en, toen ge stierft, wat late zon op uwen baard;
I Aan de sonnetten
Klinkt helder op, gebeeldhouwde sonnetten,
Gij, kindren van de rustige gedachte!
De ware vrijheid luistert naar de wetten:
Hij stelt de wet, die úwe wetten achtte:
Over het ontwaken mijner ziel.
De volle dagen komen met bedaarde
stappen schrijdend, als hooge witte vrouwen
uit tooversprooken: bloem in handen houen
ze en licht is om hun hoofden, goud-behaarde.
Modern toerisme
De reizen van heer Jurriaan
zijn opgerold en nooit verstaan,
wij moeten nieuwe vrezen leren.
Wie staat van de ene op de andere voet,
Sonnet voor Cynara I
Dat ik van binnen brand, ik ben de eerste niet;
dat mij dit vuur verslindt, de laatste zal 'k niet zijn;
dat mij de slaap niet vindt voordat door het gordijn
de grauwe ochtend sluipt - 't is duizendmaal geschied.
Vogels.
Daar is een fijn gekwetter in de lucht
Van vele vogelkelen,
Mij blijft dit lichte vogelengerucht
Alwaar ik ga, omspelen.
O dichtergeest
O Dichtergeest, van wat al banden
hebt gij mij, armen knecht, verlost,
en, uit uw' handen,
wat heeft uw dierste gunst mij weinig werks gekost!
[Laat de luiken geloken zijn]
Laat de luiken geloken zijn
wiege wiegele weine
en de stilte onverbroken zijn
wiege wiegele wee.
Liefde
Liefde is niets dan daaglijks verder gaan
Door dorre woestenijen,
Om na den nacht saam moe weer op te staan
Uit duistere valleien.
Immortelle I
De maan glijdt langs de ruiten
En blikt mij vragend aan.
‘Wat moet dat, bleeke zanger, -
In uw ooghoek glinstert een traan?’
Herfst
Zij die vóór mij kwamen en dichters waren,
zij hebben hun droefenis, in de Herfst, uitgesproken
en eenheid gevoeld tussen hun gebroken
leven, met het vaarwel aan de drommen hunner dromen,
[Ik zat toen heel stil te werken]
Ik zat toen heel stil te werken,
de boeken waren als zerken
voor me, ik wist wel wat
elk graf in zich had.
Uchtend-liefde
Zilver zijn de wegen,
Zilver zijn de weiden,
Zilver van den peerlen-dauw,
Dien defeëen schreiden.