Melancholiek is 't klinken van de bellen
Aan 't haam van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand,
Het opgeschoffeld stof zweeft naar den kant
En gansche zwermen vliegen vergezellen
557 gedichten om te ontdekken. Pagina 16 van 28. Alle dichters · Uit de bloemlezingen.
De Rijmelaar
Hij is een klankenkluis, een lettergrepenteller,
Een taalmans ongerief, een knullig woordbekneller,
Een nagelbijtig beest, een pennezuigend dier,
Een onzinmakelaar, een vorst van scheurpapier,
Coupletten uit het Graf
'k Lig in mijn graf, melieve,
Zoo eenzaam en zoo koud.
Och, mogt ik maar op aarde
Met UE. zijn getrouwd.
Nieuwerwetsche manier van dichten
Een klinkdicht, ja! dat wil ik eens probeeren...
Het is een sjouw, zoo viermaal 't zelfde rijm!
En dat nog wel op dat ellendige ijm;
Maar 'k heb den tijd, en 'k wil en zal het leeren.
De pruimeboom
Jantje zag eens pruimen hangen,
o! als eieren zo groot.
't Scheen, dat Jantje wou gaan plukken,
schoon zijn vader 't hem verbood.
Boutade
O land van mest en mist, van vuilen, kouden regen,
Doorsijperd stukske grond, vol killen dauw en damp,
Vol vuns, onpeilbaar slijk en ondoorwaadbre wegen!
Vol jicht en parapluies, vol kiespijn en vol kramp
Van zeven kikkertjes
Daar zaten zeven kikkertjes
Al in een boerensloot,
De sloot was toegevroren,
Ze lagen hallef dood,
Sint-Nicolaas
Zie, de maan schijnt door de boomen,
Makkers! staakt uw wild geraas;
't Heerlijk avendje is gekomen,
't Avendje van Sint-Niclaas!
Oogstlied
Sikkels klinken;
Sikkels blinken;
Ruischend valt het graan,
Zie de bindster gaâren!
De mattenklopper
Er is een schoonheid in ’t armoedigst kleine,
Die zich in stilsten droom slechts openbaart.
Gelijk somtijds een zwerver eenzaam staart
Naar een Moors venster, sierlijk rijk van lijnen,
Meer dan wijsheid
Naar wijsheid zocht ik rusteloos
En in mijns denkens rijke zalen
Weerblonk ze uit fonkelende schalen,
Zwaar van juwelen, vast of broos.
Een spreker die maar niet uit de war kwam
Jeroen wou zeggen: 'buitensporig',
Maar 'borenspuitig' kwam er uit.
Een poging, om 't weer goed te maken,
Had 'sporenbuitig' tot besluit.
Kosmografie
Wie 's avonds bewonderend opwaarts kijkt,
Als de hemel met talloze sterrekens prijkt,
Die blikk'ren en flikk'ren
Als lichtende ogen,
Het lied der achttien dooden
Een cel is maar twee meter lang
en nauw twee meter breed,
wel kleiner nog is het stuk grond,
dat ik nu nog niet weet,
Sonnet [Geswinde grijsart]
Geswinde grijsart die op wackre wiecken staech,
De dunne lucht doorsnijt, en sonder seil te strijcken,
Altijdt vaert voor de windt, en ijder nae laet kijcken,
Doodtvijandt van de rust, die woelt bij nacht bij daech;
Het geitenweitje
Op het geitenweitje
Staat het kleine geitje
Bij de groote geit.
Geiteke, wat moet je
Avondliedekens III
't Is goed in 't eigen hert te kijken
Nog even vóór het slapen gaan,
Of ik van dageraad tot avond
Geen enkel hert heb zeer gedaan;
Over rustigende vastheid die ik vond
De menschen zijn in getwijfel gevangen,
't gezicht van een god heeft de tijd gebleekt,
nu kom ik ze vertroosten met gezangen
van wat nooit wisselt en in niets ontbreekt.
[Toen de tijden bladstil waren, lang geleen]
Toen de tijden bladstil waren, lang geleen,
is ze geboren, in herfststilte een bloem,
die staat bleeklicht in 't vale lichtgeween, -
regenen doen de wolken om haar om.
Allerzielen
Zwijgende menschen
Over de straat...;
't Is of ze peizen...
Wellicht komt er een lief gelaat