't Grimmig Noorden sloeg door 't loover
Als een snijdend zwaard;
Al 't geboomte stond ontblaârd;
d'Akker schoot geen oogst meer over
557 gedichten om te ontdekken. Pagina 15 van 28. Alle dichters · Uit de bloemlezingen.
De gevels van de huizen
Slaat zulk een blik van deernis niet
Naar gindsche stulp van leem en riet,
Gij, die er langs rijdt, stedelingen!
Laat, schoone jonkvrouw uit de stad!
De vogelen
't Groen puilt naauwlijks uit de boomen,
Of daar zijn ze weer in 't hout,
Al die zwervers, jong en oud.
Waarvandaan toch of ze komen?
Mijmering
'k Heb nooit den glans en 't klatergoud der hoven
Met afgunst in het hart bespied;
Nooit kwam de zucht tot heerschen in mij boven:
'k Misgun den vorst zijn scepter niet:
Droom. Aan Louïze
Ik droomde deze nacht, dat, door de min verbonden,
Ik de uwe als Adam ware, als Eva gy de myn':
Ik weet niet welke snoode zonden
'Er toen door ons bedreven zyn;
Hondenmijmering
Sakkerloot! hoe jeukt mijn maag!
In geen zes kwartier gegeten.
Schrale tijden. Vlooienbeten.
Kwade jongens. Beestenplaag.
Voorjaarsavond
De avond is windeloos over
de wazige aarde, en 't loover
der duistere boomen is stil...
O groen-vervagende wanden
Baadster
Een blanke nymf steeg ze uit het marmren bad,
En toefde op de eerste treê; heur armen beurden
En wrongen 't blonde hair, dat druipend-nat
Nog van den amber der violen geurde.
De tuinman en de dood
Van morgen ijlt mijn tuinman, wit van schrik,
Mijn woning in: ‘Heer, Heer, één oogenblik!
Ginds, in de rooshof, snoeide ik loot na loot,
Toen keek ik achter mij. Daar stond de Dood.
Gebed te Waalwijk
O Christus met Uw zacht gelaat,
Marye, die daarneven staat,
Wil U tot ons bezinnen.
Gij, die den hemel overziet,
Het tuinbeeld [I]
Ge hebt het uitgezocht, maar niet aanschouwd
Meer bij ons thuis. Het is te laat gekomen.
Reeds had de stilte u in zich opgenomen,
En aan het tijdelooze u toevertrouwd.
De zingende danser
Wie danst zoo rank, zoo rap, zoo zacht van zede,
Met stap en stamp, buiging, handslag en kushand?
Een knaap, die mijn hart heeft verzoend met Rusland,
Die maat en muziek maakt van zijne leden.
Onrust
Die te Amsterdam vaak zei ‘Jeruzalem’
En naar Jeruzalem gedreven kwam,
Hij zegt met een mijmrende stem:
‘Amsterdam, Amsterdam’.
Ode aan Robinson Crusoe
Gelukkig, ô mijn Robinson!
Die, van uw golf gedragen,
Zich op uw eiland redden kon
Uit deze “laatste dagen!”
Lente-lied
Vanochtend kwam de lente; en als een regen,
Drenkt zij de wereld met haar jeugdigheid;
Zij luwt en labbert langs de vochte wegen,
Als langs de wangen van de prille meid,
Voor de Vlaamsche letterkundigen
Broeders van den gilde, man voor man.
Vlamingen, Belgen, eens van zin
Met uw Koning, uwe Koningin,
Met uw beijaards en Kathedralen,
De moerbeitoppen ruischten
‘De moerbeitoppen ruischten;’
God ging voorbij;
Neen, niet voorbij, hij toefde;
Hij wist wat ik behoefde,
Captatio
Poëten worden oud, de goede met de kwade;
De middelmatige met mij;
Dit hebben zij gemeen, veel tot hun eigen schade:
Zoo lang zij leven, dichten zij.
Het geschenk
Hij trok het schuifken open,
Het knaapje stond aan zijn zij
En zag het uurwerk liggen:
‘Och, grootvader, geef het mij?’
Souvenir apathique
Ik zie
je ponnie
een leugen fijn-wulpsch, maar zachter
en daarachter