Een laan... In het lindeloover
daar sloop het Verleden, al grauw,
en weende als een vrouw. - Geloove er,
wie gelooven kan, al 't getoover
557 gedichten om te ontdekken. Pagina 20 van 28. Alle dichters · Uit de bloemlezingen.
IV. Daisy.
In 't groen priëel, waar roze- en wingerdtak mij
verkoelend welkom wuifden, zaten beiden,
het Grootje en 't kleinkind. - ‘Zie mijn engel! sprak zij,
'k Wil nog niet sterven, 'k wil van haar niet scheiden.
[Die 's nachts romancen floot onder de linden]
Die 's nachts romancen floot onder de linden
En 's middags scherzo's op de markt der dorpen,
Hij heeft zijn fluit in een fontein geworpen,
En wilde een moeielijker wijsheid vinden.
[Zij hoorde 't twisten en den doffen smak]
Zij hoorde 't twisten en den doffen smak -
Zij kwám niet - zág niet - zag in mijmering
Altijd die ééne plek, waar de appel hing,
En de' appel zelven aan dien zelfden tak.
Heerscher
Hij schreed
en ruimte was hem soepel kleed
aan 't koele lijf.
de gladde luchten spatten uit elkander
Storm
Wolk-overweende maan
Lacht open af en aan,
Bevloeit met zilverkanten vorm
Het sombre park waar om
['k Weet nog, hoe 'k vaak tegen mijn liefde zei]
'K weet nog, hoe 'k vaak tegen mijn liefde zei:
Toe, kindje, wees eens stil! Je bent zoo druk:
Jouw zonn'ge woorden vlind'ren 't spinsel stuk,
Dat Yâjnawalkya's mijm'ren om me lei.
[Hoe zal mijn woord uw stil bewegen streelen]
Hoe zal mijn woord uw stil bewegen streelen,
mijn torve mond uw zacht-streelende daên?...
- Op de effen lente-Leie zie 'k, blad-weemlend, gaan
't verduisterd even-beeld van roerelooze abeelen
IV Erato
De purpren avond was in 't west verdwenen
En glanzend zilver droomde op donkere aarde, -
Toen is de blonde Muze mij verschenen....
Mijn ziel werd vuur, toen haar mijn oog ontwaarde. -
Over onderlinge vervreemding en verlatenheid.
Soms zitten menschen met een glad gezicht
bij tweeën of bij drieën: hun gedragen
is flauwtjes, en de harten die ze dragen
in 't bekennen van hun oogen, zijn dicht.
Reisverhaal
Clary, daar waren eens twee erg-jonge mannen:
de een was eerder klein, de ander eerder groot;
de ander sprak dikwijls over de dood,
de een bleef onbewust wat eeuwigheid verlangen.
Sonnet voor Cynara IV
De Dood als een'ge minnaar, dien 'k haar had gegund,
heeft haar een zomerlang belegerd met zijn streken;
hij is op 't allerlaatst met tegenzin geweken,
omdat hij wist op wie hij 't ditmaal had gemunt.
Oktober.
De blaadjes waaiden
Langs alle wegen,
De blaadjes draaiden
In kringen rond -
[Mijn hert is als een blomgewas]
Mijn hert is als een blomgewas,
dat, opengaande of toegeloken,
de stralen van de zonne vangt,
of kwijnt en pijnt en hangt gebroken!
[Laat ik nu leggen lichte dingen]
Laat ik nu leggen lichte dingen
op haren lijf en gauw verganke-
lijke, laat het zijn rozeranken
en bloemen andere en trosseringen
Huivering
Het leven verlangt steeds naar den dood.
Bemin je? Weet jij waar vandaan
Wij kwamen en waarheen wij gaan?
Neen? Nu, wat heeft dan blijven nood?
Immortelle XVI
Zijn goudblonde lokken en knevel,
Zijn geestvolle neus en mond,
Zijn vergietmijnietblik, zijn tenorstem
En zijn New-Foundlandsche hond.
Jonge lente
In de jonge Lente, -
ach, hoe dwaas,
'k ben mezelf niet meer baas, -
in de jonge Lente
[De stille weg]
De stille weg
de maannachtlichte weg -
de boomen
de zoo stil oudgeworden boomen -
Armoe
'k Heb zoo'n honger naar een lied
In dit huis van eenzaam wezen,
Waar 'k nog in geen blik mocht lezen,
Dat een mensch me geren ziet.