Een bloem bloeit aan de wegen,
bleek in een zon van jaren her,
bleekrood; háár laaft de regen
die viel in een zomer, al ver.
557 gedichten om te ontdekken. Pagina 23 van 28. Alle dichters · Uit de bloemlezingen.
VII. Geloof.
U heb ik lief, mysterievolle wouden,
veelstemmig koor van vogelen en winden!
'k Herinner mij, hoe, bij 't geruisch der linden,
in vrome aanbidding, zich mijn handen vouwden.
De eenzame.
De oogen van de nacht staan voor het raam.
Beneden draven paarden door de straat.
De dingen zijn niet meer dan hunne naam.
Ik ben niet meer dan een ontdaan gelaat.
[Ik wijd aan U dees verzen, zwaar geslagen]
Ik wijd aan U dees verzen, zwaar geslagen
Van Passie, en Verdoemenis, en Trots,
In doods-bleek marmer of dooraderd rots,
Al naar mijn kunstnaars-wil en welbehagen.
Gang
Smarten tasten zijn gang.
het vlak is blind
en oogen branden dieper dan het doel
o, grenzen, horizonten en vervloeien.
Afscheid
Hier ben ik weêr.
De najaarszon die wolkgedoofd
Het bronzen loof in 't hooge hout
Boven ons hoofd
[Beweeglijk bloemperk op stil blauw kanaal]
Beweeglijk bloemperk op stil blauw kanaal,
Flikkeren, fel, hupp'lende zonnestippen,
Soms plotselinge lisch met gouden slippen,
Soms gouden pijlkruid, plots'ling vertikaal:
[Thans is het uur dat schaaûwen neigen]
Thans is het uur dat schaaûwen neigen,
en de avond, als een teeder lied,
om huize' en zielen zacht komt zijgen,
en moede durend, stil vervliet
VII Liefde
Het vurig hart des jonglings, haast nog kind,
Gevoelt een rijke en ongekende weelde,
Wanneer hij zachtheid, liefde, schoonheid vindt,
Zooals die nooit het jong gemoed nog streelde.
Over het lijden dat ongewisheid is.
Schemering is het doodgaand en vertrekkend
begeven van dingen die zijn gegleden
mee met den dag, en steunde als vertrouwdheden,
en ware' als scheidingen, wegen behekkend.
De zieke man
Nadat de zieke man,
zowat vier jaren door,
door iedereen was verwend geweest,
door iedereen zacht behandeld
Sonnet voor Cynara VII
Zoo straks de dood door deze deur mocht treden,
neerdalen langs de trap of kloppen aan het raam,
mij wenken zou en daarna noemen zou mijn naam
en zei: Volg mij, uw leven is verleden -
Rozenboompje.
Als de zon des avonds daalt
Staat mijn rozenboom vol rozen
Nog in 't avondlicht te blozen,
Dat zijn kruintje overstraalt.
Tranen
't Is nevelkoud,
en, 's halfvoornoens, nog
duister in de lanen;
de boomen, die 'k
[Om mijn oud woonhuis peppels staan]
Om mijn oud woonhuis peppels staan
‘mijn lief, mijn lief, o waar gebleven’
een smalle laan
van natte blaren, het vallen komt.
Spleen
Laag hangt een groot en toch gering verdriet.
Het leven is wel mooi en ook wel leelijk.
Men kan elkaar liefhebben en ook niet.
'k Neem wat ik vind en wat ik heb, dat deel ik.
Immortelle XLIX
Wel menigmaal zei de melkboer
Des morgens tot haar meid:
‘De stoep is weer nat.’ Och, hij wist niet
Dat er 's nachts op die stoep was geschreid.
Lied voor mezelf
Mijn Heer, mijn schip is op de zee.
Ik vraag U niet: laat kalm zijn de baren nu.
Wie klaagt, draagt hij niet met zich mee
bestendig een poel die eens zich sluiten zal over zijn hoofd?
[Het is weebleekerig grijs]
Het is weebleekerig grijs,
het regent wat,
de wind zingt een arme wijs,
de daken zijn nat.
Avondwind
Ik lieve, wat des avonds in
De winden hangt te neuren...;
Die melodijkens zonder zin,
Die lachen noch en treuren.