Van 't oogstveld knikken de korenroos,
de hoogrankende akkerwinde;
een droom van zonne, schaduwloos,
hangt boven de bloeiende linde.
557 gedichten om te ontdekken. Pagina 24 van 28. Alle dichters · Uit de bloemlezingen.
VIII. Zomeravond.
De kleine villa's met haar bloemenhoven
zijn voor mijn oog, dat voorwaarts blikt, verdwenen.
Hier blauwt een wijde vijver, waar omhenen
de boomen, vol verlangen, nader schoven.
Tempo di menuetto.
De volle weelde van een melodie
Breekt uit het hart van de piano open.
Ik zie je bleeke stille handen, die
Over de witte en zwarte toetsen loopen.
[Gij, Die mij de eerste waart in 't ver Verleên]
Gij, Die mij de eerste waart in 't ver Verleên,
Toen alles was één schoone somberheid,
Gij zult mij de allerlaatste zijn. Ik wijd
Dit stervend hart U, met mijn laatste beên.
Schaduw
Vreugde is zwartgebrand:
asch en omwalming
lijden tot kruis zich spant
uit nachts omarming
Solus in aedibus amoris
Daar steekt de nacht op en de zwarte wind -
En open vind
Ik als mijn eigen
Uw woning wier beveiligd zwijgen
['k Zie nu al hoe 'k, als jij gestorven bent]
'K zie nu al hoe 'k, als jij gestorven bent,
Zal zitten, kijkend naar je stil gezicht;
Wel vol verleden, toch pijnlijk verlicht,
Dat jij ten minste geen verdriet meer kent.
[De luchten hangen vol dagen]
De luchten hangen vol dagen, -
de dagen hangen vol smart....
Ik zal te zwak zijn, om te dragen
wat mij de wereld tegen-sart;
IX Besluit
En honderdmaal verklaarde ik mij, doch neen,
Zij hoorde 't honderd malen niet, want oogen
Verstaan de taal, die zwijgend spreekt, alleen...
En ach! haar oogenlach bekroont mijn pogen!
Over de vreugd om het eerstgevondene gelijke.
Alle stemmen kwamen altijd van ver
en hadden als een groet in vreemde talen
't liefloos luiden en 't vragen veel herhalen
te groeien van voorbijgaand, blijvender.
De nieuwe moord van Raamsdonk
Men had de man vermoord, hij was
bezitter van een hoeve.
En toen zijn jonge vrouw vermoord,
die hulp had willen roepen.
Sonnet voor Cynara VIII
Dit is mijn onrust en dit van mijn dagen
de foltering en het invretend zuur;
dit is de harde kwaal die op den duur
mij sloopt omdat het hart 't niet kan verdragen.
Sinds ik het weet...
Sinds ik het weet - ik weet het wel, ofschoon
Nog onder ons angstvallig wordt ontweken,
Het booze woord te noemen, dat bij 't spreken
Licht ruw of wat onzuiver klinkt van toon, -
Octoberboomen
Hoe schoone, och, hoe veel schoonder is,
al moete 't nu gaan sterven
eer langen tijd van hier, hoe schoon,
en schoonder duizendwerven,
Kerstliedje
Zij waren den dag zich moe gegaan
met zwoegen en met gezucht,
in den laten avond kwamen zij aan
in Bethlehem het gehucht.
Woninglooze
Alleen in mijn gedichten kan ik wonen,
Nooit vond ik ergens anders onderdak;
Voor de' eigen haard gevoelde ik nooit een zwak,
Een tent werd door den stormwind meegenomen.
Immortelle LXXXIII
Hem die mij grof beleedigt,
Mij overlaadt met schand
En openlijk mij belastert,
Hem reik ik de broederhand.
Koffiehuis
Razend gedwarrel van stemmen, tot één geraas vergroeid.
Hoge klarinetklanken. Saxophoon-geluiden en wat rest
daar tussen: Geweldig koperen orkest.
De buffetjuffrouw dromend. Heimwee of verlangen?
[Ik ben alleen in het lamplicht]
Ik ben alleen in het lamplicht,
de dingen kijken met een glad gezicht,
om me in 't licht.
De dingen staan om me zoo stil
M'n Poëzie
O! Snaren van m'n jonge ziel,
Ik voelde uwe trillen zacht...,
Wijl 't woordjen op u nederviel,
Dat door m'n tranen lacht.