Nu streept er in stad, op de grachten,
groen tintje de boomenrei...
Wat is het: een droom, een gedachte
of een groet van de komende Mei?
557 gedichten om te ontdekken. Pagina 25 van 28. Alle dichters · Uit de bloemlezingen.
IX. April.
Lichtblauwe lucht, waar leeuwerikken zingen!
Herboren woud, waar nieuwe sappen wellen
in de oude stammen, bladerknoppen zwellen
en donzen blaadjes, blij, in 't zonlicht springen!
[Als ik de groene luiken open zet]
Als ik de groene luiken open zet,
Zie ik de bloemen om het raam heen trillen
Druipend van morgen-zonlicht, dat zijn killen
Vochtigen adem waait door mijn gebed.
[O gij, die mij, toen alles mij verliet]
O gij, die mij, toen alles mij verliet,
En ééne somberheid dees ziel omving,
Die langzaam stervende in haar laatst verdriet,
Tè zwak was voor de laatste worsteling, -
Wacht
Zee, storm en duister
en eeuwigheden breken in den nacht;
mij worde dracht van firmamenten
zeer verzacht.
Wanhoop
Nietmeer hoop ik uit dit schemerduister licht:
Al de heemlen sloten achter uw vervluchten luister dicht.
Wat bedoelen al der aarde, al der sterren prachten nu?
Geen der groene dagen, geen der zilvren nachten wachten u.
[Ja, één keer nog je leven overdoen]
Ja, één keer nog je leven overdoen,
En dan op 't toekomst-richtend oogenblik
Nalaten dat gebaar, dat woord, die blik,
Die reis, die brief, die daad, die vraag, die zoen,
[- Ziekte, oude Troosteres, wier woorden wégen]
- Ziekte, oude Troosteres, wier woorden wégen...,
- ‘O Gij, mijn zoon, die duldig leven mag
van 't glooiënd denken aan een verren liefde-lach:
ik zie hoe in uw oog droomen als zwanen zegen.’
X Bekentenis
De bron van warmte en licht was zacht gezonken
Op 't ver gebergte, en tintte d'avondstond,
In iedre vezel waarde weelde rond,
Die met den koelen dauw werd ingedronken;
Over de vreugd om de openbaring van het verborgene.
En toen begon een stem zacht uit te schijnen
dat was als oop' ning van verborgenheden
en als op waters bloemen glijden, gleden
de hartedingen mede zonder schrijnen
De mama
Het meisje dat mij goed wou maken is verloofd,
en haar verloofde een méér dan nette jongen,
maar de mama weet wat een zoen kan doen.
Pas op! daar komt veel niet te pas,
Sonnet voor Cynara IX
Hierop ben ik dan voortaan aangewezen:
dit klein bestek van bed en kabinet,
het duister waarin niemand op mij let
en ik alleen ben met mijn vreugde en vreezen.
Moeder.
Moeder naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?
O lied
O Lied! o Lied,
gij helpt de smert
wanneer de rampen raken,
gij kunt, o Lied, de wonde in 't hert,
Regen
De bui is afgedreven;
aan den gezonken horizont
trekt weg het opgestapelde, de rond-
gewelfde wolken; over is gebleven
Het Einde
Nog zweven liedren op den wind
En gaan van mond tot mond,
Van ouder op kind.
Maar 't speeltuig ligt in 't stof geworpen
Immortelle LXXXIV
O, spreek mij niet van liefde,
Van vriendschap en van trouw;
Die zijn al sinds lang overleden,
'k Ben lang er al van in den rouw.
Vreugde
Onder de gloedende zoen van mijn levenscheppende vreugde ligt de stad;
vreugde in mij, niet om welke oorzaak ook, maar om zichzelf:
zo is elke grote liefde. Mijn vreugde is een absolute liefde.
Dat weet ik: ik ben een schepper die een warme golf over de stad laat varen.
[Gij staat zoo heel, heel stil]
Gij staat zoo heel, heel stil
met uwe handen, ik wil
u zeggen een zoo lief wat,
maar 'k weet niet wat.
Herfst
Achter d'oude kloosterwoning
Hing wat roode zon...
Onder goud-getinte linde
Bad een jonge non...