De vlokken vallen, vallen,
- hoog, schimmen in grijze lucht -
en dalen, dalen allen
en lichten in lage vlucht.
557 gedichten om te ontdekken. Pagina 22 van 28. Alle dichters · Uit de bloemlezingen.
VI. De weg in 't woud.
Indien gij weet wat leven is en lijden,
en welk een zee van weedom in een traan ligt,
laat mij dien hollen weg in 't woud vermijden,
verg niet, dat ik mijn schreden naar die laan richt!
[Claudien, jij speelt piano, en ik zit]
Claudien, jij speelt piano, en ik zit
In de warande, en luister naar het zingen
Uit het innige hart der stille dingen,
En luister naar de stem der nacht die bidt -
[Nauw zichtbaar wiegen op een lichten zucht]
Nauw zichtbaar wiegen op een lichten zucht
De witte bloesems in de scheemring - ziet,
Hoe langs mijn venster nog, met ras gerucht,
Een enkele, al te late vogel vliedt.
Einde
Terzij de horde
nooit gleed een bloemsignaal
tegen de steilte van mijn schemernacht,
waar ik, gewelfd over den rand der ruimte,
Liedje
Van onder hooge boomen
Schijnt de avondzon,
Toch zal mijn lief niet komen
Over gouden gazon.
[Blond kindje speelt piano. Plechtig staan]
Blond kindje speelt piano. Plechtig staan,
Als was 't een kerk, twee kaarsen. 'T is, als ragt
'T verleden blauw nevelend op, en tracht
Naar lichte kring van 't Nu terug te gaan.
[Herinneringen zingen, kind, uw wit gelaat]
Herinneringen zingen, kind, uw wit gelaat,
en 't zoet verhaal van úwe dage' en míjne dagen
die vredig in ons leve' als stille tuinen lagen
in 't teêre licht van late schemering gebaad,
VI Gebenedijde stonde
O, lieflijkste van alle lieve vrouwen!
Gij, hoog-begaafd met schoon en kunstvermogen!
'k Zie, jonge bloem, de blaadjes u ontvouwen,
Nog onlangs tot een slanken knop gebogen!
Over het verhevene van het onafgebroken liefdevolle.
't Hoogleven der momenten geeft het niet,
en niet heug'nis van wijdsche aardlichtingen,
maar de onverschillige verrichtingen
en liefheden van het vrouwe-gebied
De ouwedame
Het lichaam van de ouwedame
heeft zwaar gesteund in 't ledikant,
want zij was uitgetreden
en lag in 't ledikant,
Sonnet voor Cynara VI
Hart heb geduld, het zal straks anders keeren.
Nog altijd rest ons adem voor het lied
dat, onbekommerd zingend, balsem biedt
en teerspijs is voor wie veel moest ontberen.
Aan H. v.d. W.-K.
Ik durf met mijn denken
Uw smart niet genaken,
Niet aan te raken
Uw droefenis;
Wintermuggen
De wintermuggen zijn
aan 't dansen, ommentomme,
zoo wit als muldersmeel,
zoo wit als molkenblomme.
[De lente valt dan in een oude stad]
De lente valt dan in een oude stad
een holgebouwde, waar ik lang
was en nu ga ik in verwachten, dat
open is, en ik voel een wrang
Avond
Het huis sliep achter zijn gesloten blinden,
Wij zaten samen op de kille bank,
De dag was als haar oude vader krank,
De blaren fluisterden met moede winden.
Immortelle XXXIII
Mijn hart was toegevroren,
Mijn tranen vloeiden niet meer.
Toen trof mij haar gloeiende blikstraal,
En de wateren ruischten weer.
Wiegeliedje voor de geliefde
Dat trage zich toevouwen je oogleden,
te dragen het loom fluweel van onze nacht.
Onze dag is geweest als bange blanke vazen, die waren blij
de bloemen van ons liefdespel te scharen rij aan rij.
[De heide is maar stil]
De heide is maar stil,
het overal vol licht,
en als een zilverspil
het zonnelicht;
Regendag
Grijs gewelf met grauwe vegen,
Koepel van ons huis,
Waarom stort ge uwe tranen tegen
't Venster van m'n kluis?