'K zat, jong, graag in mijn pereboom te deinen:
In de afgeknotte top had ik een plank
Getimmerd, en gevlochten, rank door rank,
Klimop tot rugleun en veil'ge gordijnen.
557 gedichten om te ontdekken. Pagina 7 van 28. Alle dichters · Uit de bloemlezingen.
[De lucht was als een perzik]
De lucht was als een perzik,
de maan een diamant,
zwellende lentenevels
bloeiden aan alle kant.
De schalmei
Zeven zonen had moeder:
Allen heetten Peter,
Behalve Wanjka die Iwan heette.
Allen konden werken:
XVIII. Scheiding
De voerman zwaait de zweep, ik hoor ze knallen;
De wagen ratelt langs de helling heen;
De rem knarst tegen 't wiel, de schellen schallen;
De hut, die haar bevat, rijst en wordt kleen:
[Gij, die ik zoet te slapen leide]
Gij, die ik zoet te slapen leide,
uw adem zoelend aan mijn mond,
- Kind van mijn liefde en van mijn lijden, -
en die 'k, toen 'k plots ontwaakte, wijde
Het kind en ik
Ik zou een dag uit vissen,
ik voelde mij moedeloos.
Ik maakte tussen de lissen
met de hand een wak in het kroos.
Kussen
Roode lippen, blanke leden
Wijken uit hun eng omhelzen
Naar de koele heldre grenzen
Waar zich oog en oog ontmoeten
Woord-jazz op Russies gegeven
Donkozakken Donkozakken
Rogoschin lachen
Rogoschin mes
Rogoschin mes-lachen
Brabançonne
Gegroet, mijn Land, zoo rijk aan heldennamen,
Vol hoogen roem van eeuw tot eeuw getorst!
Hier heerschte recht; hier stroomt de wereld samen
En eert en leert de trouw aan wet en Vorst.
De jonkheer
Als hij in zicht komt van de vijver
loert hij terluiks eens naar de zwaan
en zet zijn opgezwollen krop wat stijver
om naar het bosprieel te gaan.
De gravin
Zij zat voor 't hooge venster naast haar gade.
Hun pages speelden op 't beschaduwd plein
En schoten door de stralen der fontein
En in de boomen rond de esplanade.
XXXVII. [Geen enkel, die mijn Zelf ooit had]
Geen enkel, die mijn Zelf ooit had, -
Geen ander, wien ik 't af kon prachen,
Daar die geen Zelf, zóó schoon bezat:
Zij waren allen mak en mat -
Verwantschap
Een roos ontluikend en een druif die berst,
In zwellende aar de volle korrels gerst,
Van sparren 't hars, die traan uit overdaad,
Een vogelgorgel waar het lied in slaat,
Breughels Ikarus
Vielt ge, Ikarus? De landman snijdt de voor:
Hij heeft voor 't plassende geplons geen oor.
De visscher op de rotswand houdt zijn plaats,
Vol winzucht zorgend voor 't bewegend aas.
P.P.C.
Vaarwel, Clary. Ik wens u geen geluk.
Zoiets klinkt dom, bij hen reeds die het menen.
Gij hebt u goed verkocht. Maak u niet druk
over de rest: want àlle mensen wenen.
Lex barbarorum
Geef mij een mes.
ik wil deze zwarte zieke plek
uit mijn lichaam wegsnijden.
ik heb mij langzaam recht overeind gezet.
Als regen...
In de dieren heb ik je teruggevonden
mijn kleine oogje mijn molen zonder wieken
en op dit deuntje gaan wij langs het strand:
haal de zon uit de dageraad
Soldaatjespelen
De knapen spelen, op de breede plaats,
Met houten sabel en geweer gewapend,
En krijgsmuziek van trommel en trompet.
Roodwangig zusje, een degen in de vuist,
[Keer in tot het verborgen zelf]
Keer in tot het verborgen zelf,
waar denken ophoudt en de ritselhagen
der uren gansch verstild zijn, wilde vlagen
tot rust gebracht; keer in nu, delf en delf
[Zooals de maaiers 's avonds huiswaarts gaan]
Zooals de maaiers 's avonds huiswaarts gaan,
verzadigd krachtig, in het hoog gezag
des avonds met in 't oog vierkant de dag
van licht, waardoor zij zwaaiend zijn gegaan.