Ik was een stil en eenzaam kind,
Eenzaam als geen -
Gij zongt voorbij als een stem in den wind:
Nu ben ik alleen, alleen.
557 gedichten om te ontdekken. Pagina 6 van 28. Alle dichters · Uit de bloemlezingen.
Music-hall [II]
Nu rinkelt schel
De elektrieke bel
En scheurt de vrede van den avond
Tot één rinkelende wond
Zingende muggennevel
Zínge-zange-zínge-zange-zínge-zange-zeure...
Wáar 'k me wende, kom of kere, achter mij of veure,
wáar mijn oor, gespannen luistrend, spitsen moog en speuren,
almaar door en heinde en verre 't zelfde klankgebeuren,
Jonge terwe
De terwe staat te blaaierblekken,
Breêblaarde en blad op blad gevlijd,
Met ijdle plaatsen, zware plekken
Vol donkerdikke groenigheid.
Lobelia I
Op mijn tafel
is de hemel:
sterren - wit in
lila-blaauw
Dwaze maagd
Gevallen engel in de melaatse wijk
aan haar sloeg schennis en een doem van zonden
Eens hooggerezen
beurde zij haar glorielijf ongerept in het licht
Calvinisme
Gij waart, o Huis,
een blok van angst doorruist van orgelklank;
het licht dat u doorscheen was hemelblank,
maar in uw hoeken hurkte steeds de vrees.
O dit ontroeren
O dit ontroeren om een klein gezicht,
Vredig en goed, onder donkre haren,
Bruin met goudglans, die de zware
Streeling der handen doet trillen in 't licht.
XXII. [De boomen dorren in het laat seizoen]
De boomen dorren in het laat seizoen,
En wachten roerloos den nabijen winter.
Wat is dat alles stil, doodstil.... ik vind er
Mijn eigen leven in, dat heen gaat spoên.
Nimmermeer
Ik wind de wollen sjaal zoo warm
Haar om de schouders, buig mij neder
En kus haar; leunend aan mijn arm
Loopt zij de herfstlaan heen en weder.
Het alen-lied
Uit de Sargasso-zee, naar de Sargasso-zee!
Donker de weg waar de Golf stroom spoelt.
Landwaarts in, landwaarts in, helle rivieren op,
Vol van de spiegling van stad en woud.
Wat niet is uit te staan
Geur van ingemaakte kropsla;
Rijmend proza; slappe thee;
Vorken met een haringsmaakje
Op een uitgezocht diner;
Sonnet van burgerdeugd
De trammen tuimlen door de lange straten,
al 't leven buiten en de ramen dicht,
wat thee voor ons en de avond te verpraten,
de lamp streelt rustig ons voornaam gezicht.
De bazuin-engel van Notre-Dame
O mildheid der slanke ogivalen:
daarachter
berijdt
hij
['k Hoore tuitend' hoornen en]
'k Hoore tuitend' hoornen en
de navond is nabij
voor mij:
kinderen, blij en blonde, komt,
De bruid
Ik dacht dat ik geboren was voor verdriet
en nu ben ik opeens een lied
aan 't worden, fluisterend door het ijle morgenriet.
nu smelt ik weg en voel mij openstroomen
Het geluk is een verrekt klein olifantje
het geluk is een verrekt klein olifantje
in het bezit van een pascha met een harem
die het doet zuchten iedere nacht van
o God wat heb ik met mijn leven gedaan en waarom
Vier uur!
Reeds werpt de zon haar goudgloor dwars door 't loover
Der linden, bloeiend op het breede schoolplein.
Nu trilt de lucht van schelle kinderkreten
En vroolijk stormt de bende boerenknapen,
Kwatrijnen II
Ik zocht een klankbord en ik vond er geen.
De harten die ik aanriep, bleven steen.
Ik zoek niet meer; het roepen heb ik opgegeven
en wat ik zing is voor mij zelf alleen.
[O koele zwarte ademen van den nacht]
O koele zwarte ademen van den nacht,
stil vlietende kannen van wijnzwart gebracht
in haar rouwvingeren slepend zoo zacht -
gaat lavende tot waar mijn liefste wacht.