De stilte zwelt uit de ingeslapen nacht
en zuigt ons gans en onweerstaanbaar binnen.
Een hoornstoot gilde alsof een wilde jacht,
losbarstend als een onweer, zou beginnen -
557 gedichten om te ontdekken. Pagina 5 van 28. Alle dichters · Uit de bloemlezingen.
Nachtgezicht
Vaak in den trein, bij 't dond'ren door den nacht
Langs diep-gelegen, ruig-begroeide slooten,
Komt vluchtig-fijne maneglans gevloten
Op donker water, dat dan even lacht.
’t Geuzenvendel op de thuismars
Zij kwamen na jaren uit Brabant weerom
met vliegend vaandel en slaande trom,
en zagen de zon, bij het zinken,
op 't duin van hun vaderland blinken.
Dit vergeefsch verweer
Dit vergeefsch verweer:
mannen en vrouwen zijn moe,
pijn
heeft zich zwart op ooghoeken gezet;
Terug
Scheef is de poorte, van
oudheid, geweken;
zaâlrugde 't dak van
de schure; overal
‘Paradise regained’
De zon en de zee springen bliksemend open:
waaiers van vuur en zij;
langs blauwe bergen van den morgen
scheert de wind als een antilope
Voor vader
o vader wij zijn samen geweest
in de langzame trein zonder bloemen
die de nacht als een handschoen aan-
en uittrekt wij zijn samen geweest
De sneltrein
Voort vliegt de sneltrein, vlakke velden door.
Op stijgt de stoompluim, grauw in 't grauw der lucht,
Zweeft nêer en blijft een lange pooze, laag,
In vlokken hangen, - zilvrig duivendons.
Der vrouwen moed
Buite' in de heldre wereld vol bewegen
weefden de mannen hun glanzende taak,
zij vulden saam de uren tot de zege,
de oogen ware' op hen als op een baak.
[Gij zijt een stille witte blinkesneeuw]
Gij zijt een stille witte blinkesneeuw,
gij zijt een blinke zeeë tintelzee.
[Mooi meisje, dat met koelwit bruidsgewaad]
Mooi meisje, dat met koelwit bruidsgewaad
Verlangt te ontveinzen de heetdonkre gloed,
Die onbewust haar slankheid stralen doet
En uit de glans van 't haar en de oogen slaat,
Recepten voor navolging: In den trant van Hooft
- ⌣ ⌣ - ⌣ ⌣ - ⌣ ⌣ -
⌣ ⌣ - ⌣ ⌣ - ⌣ ⌣ - ⌣ ⌣ -
Titel: Sanghetjen. - Liedeken. - ***. -
Aa. ee. oo. aa. oo. ee. ee. aa. oo.
[Dien morgen was zij moe en zwaar]
DIEN morgen was zij moe en zwaar
en talmende opgestaan
en had met achteloos besef
haar dagelijksch doen gedaan.
Mop en Mopje
Toen onze mop een mopje was
Was 't aardig om te zien;
Nu bromt hij alle dagen
En bijt nog buitendien.
De stroomzwaan
Stroomzwaan, hoort ge, wat de vliet
Aan zijn trouwe oevers fluistert,
Waar hij eeuwig in gekluisterd
Prevelt met het suizlend riet,
Het boegbeeld: de ziel
Dit is mijn lot: gebeeldhouwd voor den boeg,
Den scheepsromp achter mij te moeten volgen;
Mijn zegetocht over knielende golven
Aan 't schip te moeten danken dat mij droeg.
XV. Avondzang
Het zuidewindje suist door zwarte twijgen,
En kust het slapend dons der zangers teeder, -
De zilvren boomen wiegen heen en weder,
En doen hun schaduw met hen mede nijgen, -
Voor-zang
Het huis mijns vaders, waar de dagen trager waren,
was stil, daar 't in de schaduwing der tuinen lag
en in de stilte van de rust-gewelfde blaêren.
- Ik was een kind, en mat het leven aan den lach
Sonnet
Ik ben in eenzaamheid niet meer alleen,
Want waar mijn oogen langs de wanden dwalen
Schemert uw lach daarheen. Ontelbre malen
Hoor ik in 't klokgetik uw voeten treên.
Moeder
We liepen samen dikwijls langs de stranden
Als 't avond werd. Dan zong ze naast de zee -
Ik, kleine jongen, die haar stem zoo kende,
Ik hield haar hand en zong de liedjes mee.