Hij zat in nachtgoed voor het raam en liet
Willoos het hoofd hangen op het kozijn -
Hij zag den landweg langs de heuvels zijn
Kronkel wegtrekken naar het blauw verschiet.
557 gedichten om te ontdekken. Pagina 10 van 28. Alle dichters · Uit de bloemlezingen.
Nu gij ver wegzijt
Nu gij ver wègzijt, komen al de nachten
Sluipen door schemerstraat, arm en gehavend,
En zij die vroeger zielsverblijden brachten,
Beedlen aan dichte deur in laten avond.
Marc groet 's morgens de Dingen
Dag ventje met de fiets op de vaas met de bloem
ploem ploem
dag stoel naast de tafel
dag brood op de tafel
Dood! dacht ik...
Dood! dacht ik, maar Gij zeidet: ,,Leven!”
Och, waarom moet ik leven, Heer!
„Wijl Ik uw laten bloei begeer,
Rozen, die op Mijn adem beven.
Bij de dood van een kind
Zij kwam een poos en zag met open oog
De wereld aan.
Toen is zij heengegaan.
Wij wisten nooit wat haar het meest bewoog.
De vooruitgang
Zij komen los en niets zal hen weerstreven:
van de paleizen kraait hun rode haan,
uit alle krotten bloeit een rode vaan,
de burgers smelten en de goden beven!
Tweede voorschrift
Wie kent zichzelf?
ga zitten in een nieuw gewelf
en neem een korte, scherpe stift
die voor de drift en 't vliegend weer
[Ik ook heb dit mijn vrouwehart]
‘Ik ook heb dit mijn vrouwehart, dit teere
breekbare ding, dat elke toon doet trillen,
gevoerd in 't strijdperk waar vijand'ge willen
in stalen pantser elkander braveeren.
[Het socialisme het is een eikeltje]
Het socialisme het is een eikeltje,
het is een ster van uit de vert gevallen,
het is een kindsdroom die tot waarheid werd,
het geluk gouden, plotsling met een vaart
[Gods wijze liefde had ’t heelal geschapen]
Gods wijze liefde had 't heelal geschapen:
vol lente, net als de appelbomen bloeien;
weldadig-groen liet voor het vee Hij groeien
het gras, voor ons doperwtjes en knolrapen,
Zwervenszat
't Meest in nachten als de maan haar stralen
Koud en lusteloos door 't ruim laat dalen,
Ben ik radeloos en denk: ik zal maar ergens
Zwak en zwervens-
Iris
Ik ben geboren uit zonnegloren
En een zucht van de ziedende zee,
Die omhoog is gestegen, op wieken van regen,
Gezwollen van wanhoop en wee:
[Zegen deze' avond, God: ons handen rusten]
Zegen deze' avond, God: ons handen rusten;
en, kenden onze leden 't kleed der vreemdste lusten
en ons verlangen 't pad van de' ongewoonsten waan:
tháns zijn onze oogen moede als van wie sterven gaan...
Het bruidje
Zusters, wanneer uw kleine zuster trouwt,
Windt om haar kruin een krans van marjolijn,
Zorgt dat de oranjebloesem huiv'rend zijn
Tranen van vreugde langs haar schouders dauwt.
Eenzame nacht
Uw oogen waren er niet,
Uw stem was zoo ver, zoo ver,
Het was een avond zonder lied,
Nacht zonder ster.
Polonaise
Ik zag Cecilia komen
op een zomernacht
twee oren om te horen
twee ogen om te zien
De zin van het rijm
Geheimen heb ik vaak, en klaar, gesproken
En leg nu in dit klaarste 't grootst geheim:
In paring en omarming van het rijm
Liggen verlangen en geluk verdoken.
Wandeling zonder maan
De grote mensen zijn naar bed gegaan.
Mijn lieve kind, wij zouden kunnen lopen
om 't huis, door 't donker, maar het hek staat open,
de straat op, onder een lantaren blijven staan.
Herinnering aan Holland
Denkend aan Holland
zie ik breede rivieren
traag door oneindig
laagland gaan,
[Heer, tusschen ons in leefden vele zonen]
Heer, tusschen ons in leefden vele zonen
van 't Oude Volk, zij zongen onvermoeid
hun levenslied ons voor vol warme tonen,
zij waren allengs met ons saamgegroeid